Bijbelstudie

Ons grootste morele probleem: kwaadsprekerij

Doorlopende zelfkritiek is nodig om onszelf sociaal een beetje in de tang te houden. Er is niets leukers dan over anderen spreken. Maar dat kan aardig uit de hand lopen. In de Tora gaat één van de belangrijkste geboden hierover.

Onze zintuigen als poorten

”Rechters en politie zult u voor u aanstellen in al uw poorten…” (Deut. 16:18). Op het hoogste niveau gaat het hier over goede omgangsvormen, zedelijkheid en moraliteit. Onze zintuigen worden in het spraakgebruik van de Tora ook poorten genoemd. Er is een poort (opening, zintuig):

  • voor het zien,
  • voor het horen,
  • voor de reuk,
  • voor de tast en
  • om te praten.

Over al deze `poorten’ moet de mens `rechters’ aanstellen om te zien of hij goed omgaat met zijn zintuigen. De moeilijkste menselijke poort is zijn mond: kwaadsprekerij blijft ons grootste euvel.

Wat de Tora hierover zegt

Rabbi Jisraeel Kagan (1838-1933), de grote expert op het gebied van kwaadsprekerij, heeft eenendertig ge- en verboden uit de Tora geïnventariseerd, die men overtreedt wanneer men naar roddel luistert, of zelf roddelt. Een ieder die deze lijst leest, begrijpt dat weigering om mee te doen aan roddel of zelfs maar luisteren naar kwaadsprekerij niet alleen een goede daad is, maar zelfs een van de meest belangrijke geboden uit de Tora.

Ik geef wat voorbeelden:

“Pas op dat je de Eeu-wige je G-d niet vergeet” (Deut. 8:11).

Dit is het verbod op verwaandheid en arrogantie. Iemand die een ander belachelijk maakt, wordt meestal gedreven door een gevoel van meerderwaardigheid. Als hij zich bewust zou zijn van zijn eigen fouten dan zou hij zeker een ander niet bespotten. De Talmoed stelt arrogantie gelijk aan afgoderij. Ingebeelde, arrogante personen herleven niet bij de opstanding van de doden. De zwaarte van de overtreding neemt toe wanneer de spreker zijn eigendunk laat stijgen door een ander af te kraken. Onze Wijzen zeggen dat zo’n persoon geen deel heeft in de komende wereld.

“Wreek je niet op je volksgenoten en koester geen wrok tegen ze” (Lev. 19:18)

Indien je kwaad bent op iemand anders en als wraak je negatief spreekt over deze persoon, dan overtreed je deze twee verboden. Bovendien heb je dan ook nog kwaad gesproken, hetgeen meestal alleen maar je eigen frustraties toont.

Wreek je niet, betekent: zeg niet: ‘ik leen je mijn fiets niet omdat jij mij gisteren geen fiets wilde lenen’. Wrok koesteren betekent: wel een fiets uitlenen maar stilletjes in jezelf zitten mokken dat hij/zij de fiets gisteren niet aan jou wilde uitlenen. Enkel voor het herinneren van het voorgevallene maak je je schuldig aan “wrok”. Voor het belasteren van de persoon maak je je schuldig aan “wraak”, Je bent verplicht het gehele voorval te vergeten. Niet makkelijk maar het getuigt wel van een nobel karakter als je hiertoe in staat bent.

“Je zult een meerderheid niet volgen wanneer zij slecht doen” (Ex. 23:2).

Kwaadspreken is meestal een groepsgebeuren. Wanneer je je aansluit bij een groep om kwaad te horen of te spreken, overtreed je dit verbod.

“Je zal niet doen zoals Korach en zijn aanhang deden“ (Num. 17:5).

Dit verbod betekent, dat we niet op een meningsverschil moeten blijven terugkomen (dus geen oude roddelende koeien uit de sloot halen). Als je door roddel en achterklap een geschil laat voortsudderen, overtreed je dit Bijbelse verbod.

“De een zal de ander niet benadelen” (Lev. 25:17)

Waarom niet? Omdat je door een ander te benadelen niets meer maar ook niets minder doet dan je eigen slechte karakter tonen. Slecht denken en slecht voelen zijn beide verboden. We moeten het positieve in ons denken en doen benadrukken, het goede in onszelf en de ander zoeken. Pas dan groeien we enigszins naar het Opperwezen toe. G’d is goed. Dat moeten we continu in ons achterhoofd houden. Wijzelf maar ook onze medemens werden gemaakt naar G’ds evenbeeld. Is een maatschappij waarbij op internet of in andere media doorlopend de ander bekritiseerd wordt, inderdaad de ideale maatschappij? Willen we dit bijna automatische gekonkel als een door G’d gewilde samenleving bestempelen? Constante aanvallen op andermans integriteit, waar geen einde aan lijkt te komen?

Dit vers verbiedt ons alles te zeggen, dat een ander beledigt of kwaad maakt. Enige voorbeelden kunnen zijn:

(1) Iemand herinneren aan zijn vroegere fouten;

(2) Iemand beledigen vanwege zijn familie;

(3) Iemand belachelijk maken vanwege zijn gebrek aan kennis;

(4) Iemand beledigen vanwege zijn lage sociale status;

(5) Iemand vragen te antwoorden op een zekere vraag, wanneer je weet dat hij die vraag niet kan beantwoorden.

Als je kwaadspreekt in het bijzijn van het slachtoffer, ben je misschien wel eerlijk maar tegelijkertijd meestal (erg) wreed en maak je je niet alleen schuldig aan kwaadsprekerij (je had hem ook sympathieker kunnen beoordelen) maar ook aan overtreding van het verbod anderen te beschamen.

“Je zal je naaste terechtwijzen en geen zonde op je laden vanwege hem” (Lev. 19:17).

Dit vers verbiedt ons anderen te beschamen, zelfs wanneer je iemand privé terecht wijst. Terechtwijzingen moeten met tact worden gebracht, zodat ze iemand niet beschamen.

Als je iemand in het openbaar beschaamt, dan bega je zo’n grote overtreding dat je daardoor je deel aan de toekomstige wereld verliest. (Bron: Lashon Hara van Rabbi Zelig Pliskin).

Door: christenenvoorisrael.nl